Groep 1/2 B
Annette Noordijk


info week 37
Beste ouders
Vanaf maandag 13 september beginnen we met het Thema 'kleding'.

In de speelstraat is er een echte kleding winkel met een paskamer. We hebben een paspop en een pas spiegel. Ook gaan we zelf kleding maken en een echte modeshow lopen. We gaan kijken naar de kleding etiketten die in de kleding genaaid zijn.  Wat mag gewassen worden en wat moet gestoomd worden. enz.

We gaan ook eigen stoffen ontwerpen. 

De doelen waar wij tijdens het thema aan gaan werken zijn:
Rekenen: groep 1
Doel tellen en getalbegrip
R1.1.  Zegt de telrij tot 10 op           
Zegt de telrij tot 10 op      
R1.2. Telt voorwerpen tot en met 5; synchroon
 Telt voorwerpen tot en met 10; synchroon en resultatief
Doel meten
R1.5. Gebruikt actief de begrippen die horen bij lengte/oppervlakte (lang-kort, hoog-laag, dik-dun, groot- klein), omtrek ((er)omheen), oppervlakte (groot-klein)      
Ordent voorwerpen van kort naar lang, laag naar hoog, dun naar dik, klein naar groot (oppervlakte) en gebruikt actief kort/korter/kortst, lang/ langer/langst (geldt ook bij de andere onderdelen van dit doel)
R1.8. Gebruikt actief de begrippen die horen bij tijd (gisteren, vandaag, morgen, nu) en het dagritme (ochtend, middag, avond, nacht)   
Herkent tijdsbegrippen in betekenisvolle, dagelijkse situaties: dag, nacht, vandaag, morgen        
R1.9. Gebruikt bij geld begrippen als duur/duurder/duurst, veel/weinig/ meer/minder geld
Doel meetkunde 
R1.10. Herkent meetkundige begrippen als voor, achter, naast, in, op, boven, onder, dichtbij en ver in concrete situaties
Gebruikt meetkundige begrippen als voor, achter, naast, in, op, boven, onder, dichtbij en ver in concrete situaties (bijv. spel) 
R1.14.  Kan een eenvoudige route volgen en een bekende route globaal beschrijven                   
R1.15. Herkent een patroon van 2 voorwerpen en kan dit voortzetten door te rijgen, tekenen, kleuren, kralenplank, bouwen                  
Taal:
Doel beg. geletterdheid

T1.17 BOEKORIENTATIE: Weet dat de boekomslag iets laat zien van het verhaal
BOEKORIENTATIE: Weet dat je een verhaal globaal kunt voorspellen aan de hand van een boekomslag
Doel beg. geletterdheid


T1.22. TAALBEWUSTZIJN: Onderscheidt woorden in zinnen
T1.23.  TAALBEWUSTZIJN: Herkent een klank in reeks losse klanken
T1.24 TAALBEWUSTZIJN: Verdeelt woorden in lettergrepen, zoals kin-der-wa-gen



M1.27.  BALANCEREN: Loopt over de bank waarbij hij over een hindernis van 10 cm hoog kan stappen
Staat op één been, zowel links als rechts
M1.28. ROLLEN: Maakt een koprol met hulp
Doel fijne motoriek


 Scheurt kleine stukken papier
M1.31.Knipt langs een rechte lijn
Doel Spel
S1.31 Losse rolgebonden handelingen, rollendialoog, rollenspel, bijv. doet alsof het kookt en het eten opeet. De handelingen worden veelvuldig herhaald
S1.32.  Speelt naast andere leerlingen zijn eigen rol. Doet uit zichzelf mee met het spel van anderen
Neemt meer initiatief tot samenspelen in een rollenspel.
 Rekenen: groep 2
Doel tellen en getalbegrip

2.2.Kan de getalsymbolen 0 t/m 10 lezen en kent de volgorde van getalsymbolen
Herkent en benoemt de volgorde van de getalsymbolen in de getallenrij tot en met tenminste 20
2.3.Zegt de telrij tot 20 op          
Kan vanuit elk getal tot 20 verder tellen
Schrijft de getallenrij tot en met 20
2.5. Kan hoeveelheden tot tenminste 12 schatten, tellen en neerleggen
Lost eenvoudige splitsproblemen (handelend) op tot ten minste 10 met behulp van concreet materiaal vanuit een context
Kan eenvoudige optel- en aftrekproblemen in een context met hoeveelheden t/m tenminste 12 (handelend) oplossen
2.8.  Kan verkort tellen van hoeveelheden tot tenminste 12 door gebruik te maken van patronen (structuren, dobbelstenen e.d.)        
2.9. Kan eenvoudige verdeelsituaties in context met hoeveelheden tot tenminste 12 (handelend) oplossen       
Doel meten
2.10, Herkent tegenstelling bij lengte en omtrek zoals grootste/kleinste, langste/kortste, hoogste/laagste, dikste/dunste en gebruikt deze begrippen actief
Kan lengte vergelijken en ordenen op het oog en meten met een natuurlijke maat (bijv. hand, voet, meetlat)
Kan kritisch denken en redeneren over lengte in eenvoudige probleemsituaties                
2.13. Herkent tegenstelling bij geld als duurste/goedkoopste en gebruikt deze begrippen actief
 Kan gepast betalen van voorwerpen onder 10 euro met munten van 1 euro en kan
 Kan redeneren over ‘geld en waarde’ in eenvoudige probleemsituaties
 van een hoeveelheid van maximaal 10 munten van 1 euro, het totaal bepalen
2.14. Benoemt de namen van de week in de goede volgorde, Weet welke dag het is
 Weet dat het jaar een terugkerend ritme heeft. Kent een paar namen van maanden en seizoenen. 
2.17. Kan gebeurtenissen in de goede volgorde beschrijven, ordenen en uitleggen
Kan kritisch denken en redeneren over tijd in eenvoudige probleemsituaties
Meetkunde
2.18. Kan bouwwerken vanaf het platte vlak (ook blokken die niet zichtbaar zijn) bouwen in de ruimte 
2.19. Kan eenvoudige bouwwerken nabouwen vanaf het platte vlak
Kan bouwwerken vanaf een foto nabouwen
Kan creatief bouwen (bijv. kasteel maken) en redeneren over meetkundige problemen
2.20. Kan vertellen wat wel en wat niet zichtbaar is vanaf een bepaald standpunt (vb. foto’s maken op het plein, waar heeft de fotograaf gestaan?))
2. 21. Kent de kleuren rood, blauw, groen, geel, zwart, wit, oranje, paars, roze en grijs
Taal:
Doel beg. geletterdheid

2.25 BOEKORIENTATIE:
Voorspelt een verhaal aan de hand van een boekomslag en plaatjes
BOEKORIENTATIE: Voorspelt een verhaal aan de hand van de titel van het boek en de boekomslag en de plaatjes.
BOEKORIENTATIE: Voorspelt (globaal) een verhaal aan de hand van de titel van het boek en de boekomslag
226.VERHAALBEGRIP:
 Vertelt een voorgelezen verhaal na met behulp van plaatjes en/of vragen
 VERHAALBEGRIP: Vertelt een voorgelezen  verhaal chronologisch en samenhangend na zonder ondersteuning van plaatjes. Maakt gebruik van moeilijkere woorden.
VERHAALBEGRIP: Maakt de verhaallijn inzichtelijk door de platen van een prentenboek in de juiste volgorde te leggen
2.27 TAALFUNCTIES:
Ontdekt dat woorden zijn opgebouwd uit klanken en dat letters en klanken corresponderen.
Leest zelfstandig prentenboeken, eigen en andermans teksten
2.28 TAALBEWUSTZIJN:
Rijmt op een éénlettergrepig woord. (bus-kus)
2.29 Voegt klanken samen tot een woord. (auditieve synthese)
2.30 Onderscheidt verschillende klanken binnen een woord p-e-n (auditieve analyse).
 TAALFUNCTIES:
Doel interactief taalgebruik
2.31 .Begint op eigen initiatief een samenhangend gesprekje met de leerkracht en/of een ander
Luistert naar een ander en reageert op een ander op passende momenten.

Motoriek en spel:
Doel grote motoriek
2.32. SPRINGEN: Maakt loopsprong (afzetten en landen met één voet)
2.33  Huppelt , Hinkelt een aantal keer op het voorkeursbeen.
 Hinkelt een aantal keer op het niet- voorkeursbeen


2.34..ROLLEN: Rolt recht voorover op een (schuin) vlak tot zit
Fijne motoriek
2.37. Houdt het potlood vast met een dynamische driepuntsgreep
Rijgt kleine kralen aan een koord
2.39. Knipt langs een gebogen lijn; de niet-schrijfhand stuurt
Knipt moeilijke figuren/ oogjes eruit ed.
Doel spel
2.40. Speelt een eenvoudig thematisch rollenspel. Neemt bewust een rol aan in het spel. Maakt zelf een samenhangend spelverhaal
Speelt kring- en regelspellen. Deelt materiaal waarmee hij eigenlijk zelf wil spelen.
 Speelt een gezamenlijk, interactief thematisch rollenspel. Spreekt met ander kind af wat ze in een (doe-alsof) spel gaan spelen.
Speelt een gezamenlijk, interactief thematisch rollenspel. Krijgt aandacht voor de verschillende rollen in een spel en wil van rol verwisselen. Kiest een ander op basis van gemeenschappelijke interesses
Speelt gezelschapsspelen waarin overleg is met andere kinderen. Houdt zich aan de spelregels. Wijst een ander op de regels als die zich er niet aan houdt
 
De letter die we de komende twee weken gaan oefenen is de letter K.
Materialen die we nog kunnen gebruiken zijn schoenendozen voor de schoenen afdeling in onze winkel. Assecoires zoals, sjaals, kettingen schoenen enz. (ze kunnen kapot gaan dus liefst oude spullen).