Groep 1/2 A
Lotte Wesselink, Marjolein van Golden , Annelies van Loosen


info nieuw thema
Beste ouders
Vanaf week 46 werken we aan het thema Sint en Kerst.
De doelen die we met de kinderen gaan behandelen zijn:

Rekenen: groep 1

R1.3.Praat over getallen en hoeveelheden in betekenisvolle situaties
 Vergelijkt en ordent hoeveelheden tot tenminste 5 door het leggen van 1-1 relatie op meer, minder, evenveel, meeste, minste
R1.4. Herkent kleine hoeveelheden tot tenminste 6, zonder tellen door gebruik te maken van structuren (bijv. dobbelstenen)
R1.6.Gebruikt actief de begrippen die horen bij inhoud (vol-leeg, veel-weinig)
Ordent inhoud van leeg naar vol en gebruikt actief de begrippen vol/voller/volst, leeg/leger/leegst
R1.7. Gebruikt actief de begrippen die horen bij gewicht (licht-zwaar)
Ordent gewicht van licht naar zwaar en gebruikt actief begrippen licht/lichter/lichtst, zwaar/zwaarder/zwaarst
Vergelijkt twee voorwerpen op gewicht. Begrijpt dat gewicht niet een op een samenvalt met omvang      
R1.11. Bouwt ruimtelijk en komt los van stapelen
Kan eenvoudige constructies vanaf het platte vlak nabouwen in de ruimte     
R1.13. Kent basisvormen als driehoek, rondjes (cirkels) en vierkant
Kent de vormen driehoek, cirkel, vierkant en rechthoek    
R1.1Doelen:
Taal:
T1.18. VERHAALBEGRIP: Vertelt een kort voorgelezen verhaal na met behulp van plaatjes en eenvoudige waarnemingsvragen

Doel interactief taalgebruik
T1.19. Houdt zich aan gespreksregels, zoals afwachten, uit laten spreken, stil zijn, de ander aankijken en blijft bij het onderwerp van het gesprek
Voert een gesprekje met de leerkracht en/ of een ander kind; met behulp van gesloten en open vragen. Luistert naar een ander en reageert op een ander en kijkt de ander aan.
 
Doel beg. geletterdheid
T1.20. TAALFUNCTIES: Herkent tekensystemen zoals pictogrammen, gebarentaal en mimiek
T1.21.  TAALFUNCTIES: Herkent letters van zijn eigen naam
T1.24 TAALBEWUSTZIJN: (auditieve oefeningen)
1.24 a rijmen
1.24 b auditieve synthese
1.24 c auditieve analyse
1.24 d auditieve discriminatie + uitspraak
1.24 e auditief geheugen
1.24 f concentratie
 
Motoriek en Spel
M1.25  SPRINGEN: Landt op zijn voeten en kan meteen weer verder gaan
SPRINGEN: Springt met aaneengesloten voeten een paar maal achter elkaar op een kleutertrampoline
Hinkelt enkele sprongen
M1.26. GOOIEN EN  VANGEN: Vangt een grote, zachte bal
Doel fijne motoriek

M1.29.Plaatst duim tegen de vingers, bijv. een brilletje maken (opponeren). Oefent daardoor om het potlood vast te houden met een driepuntsgreep.
Maakt een open guirlande en open arcade (zgn. schrijfpatronen) als ontspannen oefening in het vrije vlak.
M1.30.Rijgt grote kralen aan een koord
6.  Kan voorwerpen sorteren op minimaal 1 kenmerk (bijv. met vormen, wereldspelmateriaal)     


Rekenen: groep 2
Doel tellen en getalbegrip

2.1. Telt door vanaf verschillende getallen in de telrij tot en met 10; Telt terug vanaf getallen tot en met 10
 Telt voorwerpen tot en met 20; synchroon en resultatief
 Telt verkort door vanaf verschillende getallen in de telrij tot en met 20  
2.4.Vergelijkt en ordent hoeveelheden tot tenminste 10 door het leggen van 1-1 relatie op meer, minder, evenveel, meeste, minst
Kan hoeveelheden tot tenminste 20 vergelijken door het leggen van 1-1 relaties en ordenen (meer, minder, evenveel, meeste, minste, veel, samen (bijv. staafdiagram))
 Kan kritisch denken en redeneren over de telrij, hoeveelheden en getallen t/m tenminste 10 in probleemsituaties     
2.6. Hanteert rangtelwoorden als eerste, tweede, vierde
Hanteert rangtelwoorden als 1e, 2e, 3e, tot en met 10e
2.7. Kan getalsymbolen, telwoorden en hoeveelheden tot tenminste 10 koppelen aan elkaar
 
Doel meten
2.11.Herkent tegenstellingen bij inhoud als meeste/minste en gebruikt deze begrippen actief
 Kan inhouden, zowel in de betekenis van ‘wat erin zit’ als ‘wat erin kan’ op het oog vergelijken en ordenen
Kan redeneren over inhoud in eenvoudige probleemsituaties       
2.12. Herkent tegenstellingen bij gewicht als zwaarste/lichtste en gebruikt deze begrippen actief
Kan enkele voorwerpen die (aanzienlijk) in gewicht verschillen vergelijken en ordenen naar gewicht door te wegen (met handen, weegschaal, balans)
Kan redeneren over gewicht in eenvoudige probleemsituaties
2.15. Weet dat het jaar een terugkerend ritme heeft. Kent een paar namen van maanden en seizoenen


Doelen meetkunde: 
2.22. Gebruikt meetkundige begrippen als links, rechts, tegenover en tussen vanuit het eigen lichaam.
2.23 Kan plattegronden lezen                      
Kan plattegronden lezen, tekenen en interpreteren (wat is de langste weg? enz.)
Kan vertellen wat wel en wat niet zichtbaar is vanaf een bepaald standpunt (vb. foto’s maken op het plein, waar heeft de fotograaf gestaan?))
2.24.Kan beschrijven waar voorwerpen in de ruimte staan door het gebruik van ruimtelijke begrippen
Gebruikt meetkundige begrippen als links, rechts, tegenover en tussen vanuit het eigen lichaam
Gebruikt meetkundige begrippen als links, rechts, tegenover en tussen in contexten     
           
     Taal:
Doel beg. geletterdheid

2.25 BOEKORIENTATIE:
Voorspelt een verhaal aan de hand van een boekomslag en plaatjes
Voorspelt een verhaal aan de hand van de titel van het boek en de boekomslag en de plaatjes.
VERHAALBEGRIP:
 226.Vertelt een voorgelezen verhaal na met behulp van plaatjes en/of vragen
 Vertelt een voorgelezen  verhaal chronologisch en samenhangend na zonder ondersteuning van plaatjes. Maakt gebruik van moeilijkere woorden.
2.27 TAALFUNCTIES:
Ontdekt dat woorden zijn opgebouwd uit klanken en dat letters en klanken corresponderen.
2.28 TAALBEWUSTZIJN: (auditieve oefeningen)
2.28 a rijmen
2.28 b auditieve synthes
2.28 c auditieve analyse
2.28 d auditieve discriminatie + uitspraak
2.28 e auditief geheugen
2.28 f concentratie
2.29 Voegt klanken samen tot een woord. (auditieve synthese)
2.30 Onderscheidt verschillende klanken binnen een woord p-e-n (auditieve analyse).
 Doel interactief taalgebruik
2.31 .Begint op eigen initiatief een samenhangend gesprekje met de leerkracht en/of een ander
Luistert naar een ander en reageert op een ander op passende momenten.
Motoriek
2.33. GOOIEN EN VANGEN: Vangt een met een boog aangegooide bal
Laat een bal vallen en stuiten en kan de bal weer pakken.
Stuitert een grote bal met de  voorkeurshand

2.35. BALANCEREN: Staat (wiebelend) langere tijd op één been, zowel links als rechts.
 Loopt over een smalle bank
Doel fijne motoriek
2.36. Kleurt binnen de lijntjes en kleine vlakken. Kleurt ‘dik’ en ‘dun’; d.w.z. met meer en minder druk op het potlood.
Maakt schrijfpatronen als inspanningsoefening: traject en vorm zijn goed en worden minimaal 3 patronen ‘lang’ volgehouden; zowel in het vrije vlak als op een lijn; kan een bepaald figuurtje tekenen op een lijn.
Kan figuurtjes en patronen (evt. letters) zowel op één lijn als tussen twee lijnen tekenen /schrijven
2.38. Maakt knopen open en doet ze weer dicht
Maakt alle sluitingen open en dicht, denk aan knopen, ritssluiting, veters
Doel spel
2.40. Speelt een eenvoudig thematisch rollenspel. Neemt bewust een rol aan in het spel. Maakt zelf een samenhangend spelverhaal
Speelt kring- en regelspellen. Deelt materiaal waarmee hij eigenlijk zelf wil spelen.
 Speelt een gezamenlijk, interactief thematisch rollenspel. Spreekt met ander kind af wat ze in een (doe-alsof) spel gaan spelen.
Speelt gezelschapsspelen waarin overleg is met andere kinderen. Houdt zich aan de spelregels. Wijst een ander op de regels als die zich er niet aan houdt.