Groep 1/2 A
Lotte Wesselink, Marjolein van Golden


info week 19
Groep 1/2 B
Annette Noordijk



info week 19
Deze maand gaan we werken aan het thema Jungle en Safari. 

De doelen die we gaan aanbieden zijn:
Rekenen: groep 2
Doel tellen en getalbegrip
4.Vergelijkt en ordent hoeveelheden tot tenminste 10 door het leggen van 1-1 relatie op meer, minder, evenveel, meeste, minst
Kan hoeveelheden tot tenminste 20 vergelijken door het leggen van 1-1 relaties en ordenen (meer, minder, evenveel, meeste, minste, veel, samen (bijv. staafdiagram))
 Kan kritisch denken en redeneren over de telrij, hoeveelheden en getallen t/m tenminste 10 in probleemsituaties              
5. Kan hoeveelheden tot tenminste 12 schatten, tellen en neerleggen
Lost eenvoudige splitsproblemen (handelend) op tot ten minste 10 met behulp van concreet materiaal vanuit een context
Kan eenvoudige optel- en aftrekproblemen in een context met hoeveelheden t/m tenminste 12 (handelend) oplossen
9/Kan eenvoudige verdeelsituaties in context met hoeveelheden tot tenminste 12 (handelend) oplossen
Doel meten
10, Herkent tegenstelling bij lengte en omtrek zoals grootste/kleinste, langste/kortste, hoogste/laagste, dikste/dunste en gebruikt deze begrippen actief
Kan lengte vergelijken en ordenen op het oog en meten met een natuurlijke maat (bijv. hand, voet, meetlat)
Kan kritisch denken en redeneren over lengte in eenvoudige probleemsituaties                              
11.Herkent tegenstellingen bij inhoud als meeste/minste en gebruikt deze begrippen actief
 Kan inhouden, zowel in de betekenis van ‘wat erin zit’ als ‘wat erin kan’ op het oog vergelijken en ordenen
Kan redeneren over inhoud in eenvoudige probleemsituaties
12. Herkent tegenstellingen bij gewicht als zwaarste/lichtste en gebruikt deze begrippen actief
Kan enkele voorwerpen die (aanzienlijk) in gewicht verschillen vergelijken en ordenen naar gewicht door te wegen (met handen, weegschaal, balans)
Kan redeneren over gewicht in eenvoudige probleemsituaties              
13. Herkent tegenstelling bij geld als duurste/goedkoopste en gebruikt deze begrippen actief
 Kan gepast betalen van voorwerpen onder 10 euro met munten van 1 euro en kan
 Kan redeneren over ‘geld en waarde’ in eenvoudige probleemsituaties
14. van een hoeveelheid van maximaal 10 munten van 1 euro, het totaal bepalen
 
Doelen meetkunde:  
15.Kan beschrijven waar voorwerpen in de ruimte staan door het gebruik van ruimtelijke begrippen
Gebruikt meetkundige begrippen als links, rechts, tegenover en tussen vanuit het eigen lichaam
Gebruikt meetkundige begrippen als links, rechts, tegenover en tussen in contexten     
16.Kan een eenvoudige plattegrond lezen
 Kan plattegronden lezen
 Kan plattegronden lezen, tekenen en interpreteren (wat is de langste weg? enz.)          
17. Kan eenvoudige bouwwerken nabouwen vanaf het platte vlak
 Kan bouwwerken vanaf het platte vlak (ook blokken die niet zichtbaar zijn) bouwen in de ruimte
 Kan bouwwerken vanaf een foto nabouwen
Kan creatief bouwen (bijv. kasteel maken) en redeneren over meetkundige problemen
18. Kan vertellen wat wel en wat niet zichtbaar is vanaf een bepaald standpunt (vb. foto’s maken op het plein, waar heeft de fotograaf gestaan?)) 


Motoriek en spel:
Doel grote motoriek
1. SPRINGEN: Maakt loopsprong (afzetten en landen met één voet)
  Huppelt , Hinkelt een aantal keer op het voorkeursbeen
 Hinkelt een aantal keer op het niet- voorkeursbeen
2. GOOIEN EN VANGEN: Vangt een met een boog aangegooide bal
Laat een bal vallen en stuiten en kan de bal weer pakken.
Stuitert een grote bal met de  voorkeurshand
4. BALANCEREN: Staat (wiebelend) langere tijd op één been, zowel links als rechts.
 Loopt over een smalle bank
Doel fijne motoriek
5. Kleurt binnen de lijntjes en kleine vlakken. Kleurt ‘dik’ en ‘dun’; d.w.z. met meer en minder druk op het potlood.
Maakt schrijfpatronen als inspanningsoefening: traject en vorm zijn goed en worden minimaal 3 patronen ‘lang’ volgehouden; zowel in het vrije vlak als op een lijn; kan een bepaald figuurtje tekenen op een lijn.
 Kan figuurtjes en patronen (evt. letters) zowel op één lijn als tussen twee lijnen tekenen /schrijven
6. Rijgt kleine kralen aan een koord
8. Knipt langs een gebogen lijn; de niet-schrijfhand stuurt
Knipt moeilijke figuren/ oogjes eruit ed.


Doel spel
Speelt een gezamenlijk, interactief thematisch rollenspel. Krijgt aandacht voor de verschillende rollen in een spel en wil van rol verwisselen. Kiest een ander op basis van gemeenschappelijke interesses
Speelt gezelschapsspelen waarin overleg is met andere kinderen. Houdt zich aan de spelregels. Wijst een ander op de regels als die zich er niet aan houdt
Taal:
Doel beg. geletterdheid
2.VERHAALBEGRIP:
 Vertelt een voorgelezen verhaal na met behulp van plaatjes en/of vragen
 VERHAALBEGRIP: Vertelt een voorgelezen  verhaal chronologisch en samenhangend na zonder ondersteuning van plaatjes. Maakt gebruik van moeilijkere woorden.
VERHAALBEGRIP: Maakt de verhaallijn inzichtelijk door de platen van een prentenboek in de juiste volgorde te leggen
4.TAALFUNCTIES:
Leest en schrijft woorden als globale eenheden, zoals de eigen naam en namen van personen en dingen die voor hen belangrijk zijn.
Leest en schrijft klankzuivere mkm woorden, ook als zin achter elkaar
6. TAALBEWUSTZIJN:
Rijmt op een éénlettergrepig woord. (bus-kus)
7.TAALBEWUSTZIJN:
Voegt klanken samen tot een woord. (auditieve synthese)
Onderscheidt verschillende klanken binnen een woord p-e-n (auditieve analyse).
 Doel interactief taalgebruik
9.Begint op eigen initiatief een samenhangend gesprekje met de leerkracht en/of een ander
Luistert naar een ander en reageert op een ander op passende momenten.
10. woordenschat

Rekenen: groep 1
Doel tellen en getalbegrip
1.  Zegt de telrij tot 10 op 
Zegt de telrij tot 10 op      
2. Telt voorwerpen tot en met 5; synchroon
 Telt voorwerpen tot en met 10; synchroon en resultatief
3.Praat over getallen en hoeveelheden in betekenisvolle situaties
 Vergelijkt en ordent hoeveelheden tot tenminste 5 door het leggen van 1-1 relatie op meer, minder, evenveel, meeste, minste
4. Herkent kleine hoeveelheden tot tenminste 6, zonder tellen door gebruik te maken van structuren (bijv. dobbelstenen)
Doel meten
5. Gebruikt actief de begrippen die horen bij lengte/oppervlakte (lang-kort, hoog-laag, dik-dun, groot- klein), omtrek ((er)omheen), oppervlakte (groot-klein)      
Ordent voorwerpen van kort naar lang, laag naar hoog, dun naar dik, klein naar groot (oppervlakte) en gebruikt actief kort/korter/kortst, lang/ langer/langst (geldt ook bij de andere onderdelen van dit doel)
6.Gebruikt actief de begrippen die horen bij inhoud (vol-leeg, veel-weinig)
Ordent inhoud van leeg naar vol en gebruikt actief de begrippen vol/voller/volst, leeg/leger/leegst
7. Gebruikt actief de begrippen die horen bij gewicht (licht-zwaar)
Ordent gewicht van licht naar zwaar en gebruikt actief begrippen licht/lichter/lichtst, zwaar/zwaarder/zwaarst
Vergelijkt twee voorwerpen op gewicht. Begrijpt dat gewicht niet een op een samenvalt met omvang      
8. Gebruikt actief de begrippen die horen bij tijd (gisteren, vandaag, morgen, nu) en het dagritme (ochtend, middag, avond, nacht)
Herkent tijdsbegrippen in betekenisvolle, dagelijkse situaties: dag, nacht, vandaag, morgen        
9. Gebruikt bij geld begrippen als duur/duurder/duurst, veel/weinig/ meer/minder geld
Doel meetkunde 
10. Herkent meetkundige begrippen als voor, achter, naast, in, op, boven, onder, dichtbij en ver in concrete situaties
Gebruikt meetkundige begrippen als voor, achter, naast, in, op, boven, onder, dichtbij en ver in concrete situaties (bijv. spel) 
11. Bouwt ruimtelijk en komt los van stapelen
Kan eenvoudige constructies vanaf het platte vlak nabouwen in de ruimte     
13. Kent basisvormen als driehoek, rondjes (cirkels) en vierkant
Kent de vormen driehoek, cirkel, vierkant en rechthoek    
14.  Kan een eenvoudige route volgen en een bekende route globaal beschrijven                         
15. Herkent een patroon van 2 voorwerpen en kan dit voortzetten door te rijgen, tekenen, kleuren, kralenplank, bouwen                       
16.  Kan voorwerpen sorteren op minimaal 1 kenmerk (bijv. met vormen, wereldspelmateriaal) 
 
 De letters die we tijdens dit thema aanbieden zijn, J,D,F,B

Ook gaan de kinderen van groep 2 iedere woensdag weer naar de letterklas.